1 tot 3 jaar
Een peuter kan zich niets voorstellen bij een baby in de buik, en na de geboorte begrijpt het vooral dat er ineens iets is dat altijd voorgaat. Terugvallen in gedrag hoort erbij: opnieuw een fles willen, opnieuw in bed plassen, weer gedragen willen worden. Dat is geen probleem, het is een vraag om aandacht in de enige taal die een peuter heeft.
Wat je kunt zeggen: houd het klein en concreet. Er komt een baby. De baby slaapt veel en huilt soms. Jij bent de grote broer, of de grote zus. Benoem wat de peuter kan wat de baby nog niet kan: lopen, praten, een koekje eten. Laat je peuter meehelpen op een manier die echt is: de luier aangeven, zacht een liedje zingen.
Wat je beter niet belooft: dat de baby een speelkameraadje wordt. Dat duurt nog een jaar of twee en een peuter voelt zich anders bedrogen. Zeg ook niet dat er niets verandert. Er verandert veel, en je peuter merkt het als eerste.
Wat het verhaal doet: een verhaal voor een peuter is kort, met herhaling en een duidelijke held: jouw kind, dat de grote broer of zus is en dingen kan. De baby is erbij, maar het verhaal gaat over je peuter. Lees het ook voor als de baby er al is, op een moment dat de baby slaapt en jij helemaal van je oudste bent.

