1 tot 3 jaar
Bij een peuter begint angst voor het donker vaak rond de tweede verjaardag, als de fantasie op gang komt. Een peuter kan nog niet zeggen wat het eng vindt; het zegt nee tegen het bed, roept om jou, of wil ineens het licht aan.
Wat je kunt zeggen: weinig, en steeds hetzelfde. Het is donker, dat hoort bij de nacht. Mama is in de kamer hiernaast. Slaap lekker. Zeg het rustig en zonder discussie, en doe daarna elke avond hetzelfde: hetzelfde liedje, dezelfde knuffel, dezelfde laatste zin. Een peuter heeft nog geen uitleg nodig, wel een vast patroon en jouw kalme stem.
Wat je beter niet doet: elke avond iets nieuws proberen. Een keer het grote licht, dan weer bij jullie in bed, dan weer terug: elke wisseling maakt het onrustiger. Ga ook niet zoeken naar wat er eng is; op deze leeftijd is er meestal niet iets, er is alleen donker.
Wat het verhaal doet: een verhaal voor een peuter over het donker is zacht en herhalend. Je kind gaat slapen, het is donker, en er gebeurt iets fijns: de maan kijkt naar binnen, de knuffel is er, en dan is het ochtend. Geen spanning, geen monsters, ook geen monsters die aardig blijken. Het donker is gewoon donker, en veilig. Lees het als vast onderdeel van het ritueel, met het lampje al aan.

